Risico-inventarisatie

In Nederland wordt over het algemeen op basis van de ondergrens in de NPR-7910 voor gas, vloeistof en vaste stof een eerste inventarisatie gemaakt om vast te stellen of er mogelijk sprake is van explosiegevaar.

Indien de ondergrens niet wordt overschreden kan het zijn dat explosiegevaar zich toch voordoet. In lijn met de Europese ATEX 137 richtlijn moet een nadere risicoanalyse uitsluiting geven over het mogelijke aanwezige explosiegevaar.

Dit laatste komt terug het Arbeidsomstandighedenbesluit in artikel 3.5c van hoofdstuk 2 (inrichtingarbeidsplaatsen), afdeling 1 (algemene voorschriften), paragraaf 2a, namelijk Nadere voorschriften risico-inventarisatie en – evaluatie; explosieveiligheidsdocument.

Meten

Alvorens te gaan meten is het zinvol eerst te beoordelen of er sprake is van explosieve atmosferen.

Hiervoor zijn een zevental vragen samengesteld:
 
1. Zijn er brandbare stoffen aanwezig?
De brandbaarheid, de minimale ontstekingsenergie, zelfontstekingtemperatuur van een gas of vloeistof staat o.a. op de Product- of VeiligheidsInformatieBladen (VIB) van producenten. Via internet is deze informatie in het Engels te achterhalen in de (Material) Safety Data Sheets ((M)SDS) per stof, zie www.msds.nl.
Voor vaste stoffen zijn de eigenschappen te vinden op BIA-online, zie verder paragraaf 3.4.

 

2. Kan door voldoende verdeling in de lucht een explosieve sfeer ontstaan?

De verhouding tussen de brandbare stof moet tussen de explosiegrenzen bevinden. De onderste explosiegrens is de Lower Explosion Limit/LEL (kleinste hoeveelheid brandbare stof) en de bovenste explosiegrens is de Upper Explosion Limit (/UEL (grootste hoeveelheid brandbare stof) Het meten van gasexplosiegevaar kan worden uitgevoerd middels een explosiemeter (LEL-meter). Op basis van deze meting kan momentaan worden vastgesteld of er sprake is van explosiegevaar. Als grens van een mogelijke explosieve atmosfeer geldt de vuistregel 10% van de LEL-waarde. Voor stofexplosiegevaar is het niet mogelijk om het explosiegevaar te meten. In de praktijk wordt de regel aangehouden dat een ontplofbare wolk kan worden herkend aan: ―zicht minder dan 1 meter.

 

3. Waar kan zich een explosieve atmosfeer voordoen?

 

4. Is de vorming van een gevaarlijke explosieve atmosfeer mogelijk?

Als de bovenstaande vragen met JA beantwoord worden, dan is er spraken van een explosieve atmosfeer en moet de werkgever maatregelen nemen. Als tenminste de eerste vraag met JA wordt beantwoord dan moet de werkgever een kort explosieveiligheidsdocument op stellen, waarin wordt aangegeven dat de kans op het ontstaan van explosieve atmosferen nihil is.

 

5. Is de vorming van een explosieve atmosfeer terdege te voorkomen?

 

6. In welke gevarenzones kunnen plaatsen met een gevaarlijke atmosfeer worden ingedeeld?

 

7. Is ontsteking van een gevaarlijke atmosfeer terdege te voorkomen?

Indien het antwoord op vraag 7 NEE is dan moeten er aanvullende maatregelen worden getroffen om de schadelijke gevolgen van een explosie te beperken.